| Passend onderwijs is al een redelijk vertrouwd verschijnsel in Zuid-west Friesland. |
![]() Deze regio werkt al langer aan de totstandkoming van integraal jeugdbeleid en binnen het onderwijs pakken scholen samen, los van de zuilen, verschillende problemen aan. Wethouder Andries Ekhart van Sneek ziet passend onderwijs als een logisch volgend hoofdstuk. Samenwerken voorbij de zuilen en vakgebieden Wethouder Andries Ekhart van Sneek heeft ‘heel het sociale palet’ in z’n portefeuille: onderwijs en jeugd, sociale zaken en de wet Maatschappelijke Ondersteuning. Hij zit bovendien in het bestuur van de Vereniging Friese Gemeenten. Deze heeft een convenant gesloten met de provincie Friesland voor het vestigen van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). In de acht gemeenten in de Zuid-westhoek wordt het ontwikkelen van het CJG gezamenlijk opgepakt. Time-out Het voortgezet onderwijs weet, wanneer het gaat om de juiste plaatsing van leerlingen die vastlopen, de zuilen te overstijgen. Samen richtten de scholen de stichting Fultura op. Deze functioneert als een time-outvoorziening: ‘Als op één van de scholen een leerling in de problemen komt, of het nu het leerproces of gedrag betreft, wordt hij doorverwezen naar Fultura. Daar wordt bekeken welke vorm van onderwijs voor hem het meest passend is. Bij dat proces worden indien nodig jeugdzorg en het schoolmaatschappelijk werk betrokken.’ Platteland Zuiloverstijgend samenwerken komt de kwaliteit voor kinderen ten goede, denkt Ekhart. ‘Wij zijn een plattelandsgebied. Alle leerlingen een passend aanbod doen lukt het beste als iedereen samenwerkt. Je kunt als klein schoolbestuur niet overal goed in zijn. De één zou bij wijze van spreken kunnen specialiseren in dyslexie, de ander in een andere stoornis.’ Participatie Leerlingen worden wel eens te gemakkelijk doorverwezen naar het speciaal onderwijs, vindt de wethouder. ‘Wij proberen al jaren om de zorgstructuur in het basisonderwijs zo te regelen, dat er veel minder kinderen naar het speciaal onderwijs hoeven. We hebben de afgelopen jaren het percentage kinderen dat wordt doorverwezen, omlaag kunnen brengen van 2,5 naar minder dan 1%.’ |